zaterdag 22 juli 2023

Galicisch volksmuseum is feest der herkenning

In de ochtend bezoeken we de kathedraal van Santiago de Compostela als het nog redelijk rustig is. Het toerisme rondom de pelgrimage stijgt overigens jaarlijks. Sinds de 12e eeuw al heeft de stad de statuur van een heilige stad, net als Jeruzalem en Rome. Vanaf dat moment lopen gelovigen de bedevaart. Maar omstreeks 1980 besluit het Ministerie voor Toerisme de pelgrimstocht meer onder de aandacht te brengen. Nu bezoeken circa 2,5 miljoen mensen de stad, onder wie 250.000 pelgrims. Moet je nagaan wat een ‘branding’ kan doen voor je stad! Zoals Pedro ons vertelde bij de wijnbar in de markthal, is het tegenwoordig voor veel vriendengroepen een uitdaging om de tocht te lopen. “Het is heel gezellig.” Er ligt vaak geen religieuze of spirituele reden aan de pelgrimage ten grondslag. 



Het blijft natuurlijk een geweldige prestatie wanneer iemand meer dan honderd kilometer achtereen in dit heuvelachtige gebied kan lopen. Petje af. Wij lopen die dag ongeveer achttien kilometer door de stad. Telt dat ook? Zo bezoeken we het Museo do Pobo Galego, het Galicisch volksmuseum. Samen met vijf andere bezoekers. Het is jammer dat dit museum niet meer aandacht krijgt. Het is leerzaam en het is gevestigd in een voormalig 13de eeuws klooster. Een prachtig pand met een opmerkelijke wenteltrap die drie verdiepingen met elkaar verbindt. De fraaie trap oogt als een slakkentoren en doet me denken aan het pand van de firma Herman Jansen aan de Noordvest in Schiedam van de Italiaanse architect Giudici. Daar is ook zo’n prachtige trap te zien. Let op: tijdens Open Monumentendagen in september vaak te bezichtigen. 

Terug naar het Museo do Pobo Galego. We vinden het jammer dat er geen Engelse toelichting bij de onderdelen is. Daardoor ontbreekt de samenhang van de geëxposeerde stukken; die bedenken we er nu vaak zelf bij. De verschillende zalen staan in het teken van de zee, van ambachten, landbouwwerktuigen en maar ook de feestkostuums van Galiciërs komen aan bod. Maquettes moeten een beeld geven van het leven op het platteland. Het is heel secuur gedaan maar toch geeft het ons het idee dat een bedreven amateur aan het knutselen is geweest. Zo’n zelfde soort opstelling zien we vaak in Indonesische musea. We hebben het tsunami-museum in Atjeh eens bezocht. Daar werden we ook ontroerd door een van lucifers geknutseld huis waarbij de kamer van oma vlakbij de buitendeur was gemaakt. Daarbij werd aangegeven dat oma dan bij gevaar snel weg kon.






Toch boeit het museum ons. Waarschijnlijk omdat er zoveel te zien is en mede omdat we bepaalde dingen herkennen. We zien de graanschuren, die we hier overal in dorpen zien staan. De pop met de doedelzak. Precies zo’n zelfde geklede man stond in het portaal bij het plein naar de kathedraal te spelen om de pelgrims te ontvangen (en wat te verdienen natuurlijk). Het is een feest der herkenning. 

Bovendien geeft het museumkaartje tevens toegang tot de kerk die bij het klooster San Domingos de Bonaval behoort. Een bijzonder mooie kerk die misschien in het niet valt bij de uitbundige praal van de kathedraal een kilometer verderop maar misschien door haar eenvoud boeit. Vooral het Pantheon van illustere Galiciërs vond ik interessant. Hier liggen enkele van de grootste schrijvers en dichters begraven die Galicië heeft gekend. Er is bijvoorbeeld een tombe voor Rosalia de Castro (1837-1885), een schrijfster die in de eigen taal publiceerde. Ik vind het opvallend eens een praalgraf voor een vrouw aan te treffen omdat ik tot nu toe alleen tombes voor ridders en bisschoppen heb gezien.

Na deze bespiegelingen dompelen we ons weer onder in de gezellige drukte van de wandelaars. We gaan nog een keer kijken op het plein voor de kathedraal en nemen dan afscheid. Morgen willen we langs de kust van Galicië zuidwaarts rijden voordat we de route naar het oosten inslaan. Voor de laatste dagen in Spanje!      



Geen opmerkingen:

Een reactie posten